1800 – 1900

De Ellecomse kerk is na de Reformatie als zelfstandige stichting blijven bestaan, beheerd door kerkvoogden, onder opperbeheer van de ambtsjonkers van het ambt Rheden. Door de verwerving van de collatie van de pastorie (in de zeventiende eeuw), hebben de eigenaren van Middachten in hun hoedanigheid van collatoren vervolgens ook bijzondere aanspraken doen gelden ten aanzien van het beheer der kerkgoederen. In de negentiende eeuw leidde deze zienswijze voor het eerst tot openlijke pretenties ten aanzien van het eigendomsrecht van de kerk.

In 1859 laat Graaf Bentinck van kasteel Middachten de kerk verbouwen. Het schip wordt afgebroken en vervangen door een bredere variant in baksteen dat in Gotische bouwstijl op gelijke hoogte wordt getrokken met het Gotische koor. De toren, die tot dan ruim boven het schip uit stak, komt hierdoor enigszins in het gedrang. Het spaarveld aan de schipzijde komt nu uit in de kap. Tijdens de verbouwing wordt ook de crypte voor de familie Bentinck onder het koor gebouwd.

Daar de toren staatseigendom is, wordt de hoofdingang van de kerk verlegd naar links naast de toren. Hier wordt een neogotisch portaal gebouwd. Ook wordt er een nieuw neogotisch zijportaal geplaatst. Voor het eerst komen er banken voor burgers in de kerk te staan.

Niet iedereen in het dorp was het eens met deze actie van de graaf. Sommige mensen zijn ervan overtuigd dat de kerk niet van Middachten is. Middachten is echter een heel belangrijke werkgever in de omgeving zodat deze mensen niet veel konden uitrichten. Uit protest gaan zij niet meer naar deze kerk. Voor hen wordt door de gravin van Reede in 1860 een nieuwe kapel gebouwd, een driezijdige gesloten zaalkerk, aan de Zutphensestraatweg. Aan de kapel wordt in 1896 een schoolgedeelte toegevoegd.

In 1874 krijgt de kerk een orgel dat in het koor wordt geïnstalleerd en in 1889 wordt in het rechter koortravee de consistoriekamer gebouwd. Hiervoor wordt onder meer tufsteen gebruikt dat bij de sloop uit 1859 van het oude Romaanse schip is vrij gekomen.